Als het
zonlicht op beglazing invalt, wordt een deel weerkaatst, een deel geabsorbeerd in de glasmassa en een deel doorgelaten. De relaties tussen elk van deze 3 componenten van de invallende lichtstroom bepalen de reflectie-, de absorptie- en de lichttransmissiefactor van de beglazing.
De
zonne-energie die de woning via een beglazing binnendringt, wordt geabsorbeerd door voorwerpen en binnenmuren die daardoor opwarmen en op hun beurt een thermische straling genereren, hoofdzakelijk in het langgolvig infrarood (groter dan 5 μm).
Beglazing, zelfs blanke, is praktisch ondoorlatend voor stralen met een golflengte groter dan 5 μm. De zonne-energie die toetreedt blijft dus gevangen in de ruimte waardoor deze begint op te warmen: dit is het
serre-effect. Dit effect doet zich bijvoorbeeld ook voor bij een geparkeerde wagen met gesloten ruiten in de volle zon.
Mogelijkheden om oververhitting te voorkomen :
- Een goede luchtcirculatie
- Beglazing met een gereduceerde energietransmissie (zonwerende beglazing) die slechts een deel van de zonne-energie doorlaat. Hierdoor wordt de ruimte verlicht en overdreven opwarming voorkomen.
- Het gebruik van zonwering, waarbij men er op moet toezien geen thermische breuk te veroorzaken. Zonwering aan de binnenzijde is minder efficiënt omdat ze slechts een scherm tegen de zonnestralen vormt nadat deze al zijn binnengedrongen. Aan de buitenzijde dient men rekening te houden met het onderhoud van de zonwering.
Lees meer technische informatie over
glas en zonwering .